Logo Apostolaat van Troost
06 - 3016 1636 (Whatsapp)
info@apostolaatvantroost.nl

 

Video

Videoportet

Een prachtig videoportret is gemaakt door Mijke Pol en Rob van Oijen over het werk van het Apostolaat van Troost.

Verdriet

Apostolaat van Troost

Voor mensen die ernstig lijden onder hun verdriet.




link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten


Waar was God?

gepubliceerd: donderdag, 31 maart 2016
Pietà (Michelangelo)
Pietà (Michelangelo)

Hoe vang je twee vrouwen op die naar je toe­ko­men met de vraag: “Wat moeten we doen als het kwaad goede mensen treft?” Deze vraag herkende ik. Niet dat deze mij eer­der gesteld is, maar omdat het een titel van een boek is dat in mijn boeken­kast staat: “Als ’t kwaad goede mensen treft”, ge­schre­ven door Harold S. Kushner, een rabbijn in de V.S.

Aangezien ik dit boek zo’n 20 jaar gele­den gelezen had, wist ik niet meer precies waar het over ging. Alleen de titel herinnerde ik me. De ene vrouw had een zoon verloren, de andere vrouw had een zoon die zeer erns­tig ziek was. De vrouw die haar zoon verloren had stelde een tweede vraag: “Waar was God toen mijn zoon stierf?”.

Nu stond ik voor een moei­lijk moment, omdat elk woord dat ik zou zeggen zwaar woog. Een ant­woord voor mezelf wist ik wel, maar hoe kun je dat met de juiste woor­den zeggen. Nadat ik goed geluisterd had, heb ik ge­pro­beerd hun verdriet tot me door te laten dringen. Je kind verliezen, is voor een moe­der bijna niet te dragen, denk ik. De Piëta van Miche­lan­ge­lo kwam me voor de geest: een voor­stel­ling van een moe­der­lijk verdriet. Vanuit dat begrip probeerde ik ant­woord te geven op de vragen die mij gesteld waren. “Ik denk”, begon ik, “dat we God niet de schuld kunnen geven wanneer iemand sterft. Als mens zitten wij in een bio­lo­gisch proces van geboren wor­den en sterven”. “Geboren wor­den impli­ceert sterven. Helaas heb ik geen ant­woord op het ‘waarom’ bij het sterven van een kind”.

Als 't kwaad goede mensen treft - Harold S. Kushner“We zijn er nooit klaar voor om afscheid te moeten nemen van iemand waar­van we zielsveel hou­den. Daarin zit ons verdriet verweven. Gevoels­ma­tig vin­den we dat sterven niet bij het leven hoort, daar zijn we angs­tig voor en we stoppen dat weg in het hokje van de taboes”.

Ik vroeg hen te blijven bid­den, omdat we ons in het gebed kunnen uiten. Ons verdriet bij God neerleggen met vragen die gevormd zijn door onze gevoelens van radeloos­heid, onwetend­heid, boos­heid en klein­heid. Juist in gesprek blijven met God de Vader geeft ons op den duur rust en troost.

“In dat ver­trouwen moeten we denk ik leven. Dat neemt uw verdriet niet weg”, zei ik. “Maar het geeft u kracht en wijs­heid om ver­der te gaan. Wanneer we openstaan voor Christus, voelen we Zijn aanwe­zig­heid als een arm om onze sch­ou­der”. Toen haalde ik in het kort het verhaal van Job aan. Zijn ver­trouwen in Gods recht­vaar­dig­heid was groot, daarin zat zijn hoop op de toe­komst.

Hoop doet leven

Ons leven is doordrenkt van hoop. We hopen op een goede ge­zond­heid; ver­trouwen; liefde; aan­dacht; vrede; geluk, om maar een paar voor­beel­den te noemen. Onze dage­lijkse be­kom­mer­nissen wor­den door hoop gedragen. Maar wanneer bijna alle hoop uit ons leven wegebt, zodat we geen uit­komst meer zien, blijft er nog één hoop over: de hoop op Gods erbarmen. Zo was het ook al in het O.T. Wij roepen God aan in onze nood, zoals de Psalmen laten zien.

Hoop biedt per­spec­tief, al weten we nog niet waar die op ein­digt. Wanneer we al onze hoop koppelen aan ons geloof in de liefde van Christus, dan is er uit­komst. Paus Fran­cis­cus schrijft: ... Vanuit verdriet komt blijd­schap. Onze onein­dige droef­heid geneest, maar door een onein­dige liefde van Christus ... Wanneer we dat geloven, mogen we leven. Daarover zegt Jezus tegen Marta: “Ik ben de opstan­ding en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook wanneer hij sterft, en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven”. Om deze bood­schap door te mogen geven als een troostend woord, zie ik als een genade.

“Kent u Psalm 139?” (vers 1 t/m 12 en aan­slui­tend vers 23,24), vroeg ik aan die vrouwen, waar­van ik een paar regels kon opzeggen:

Heer, Gij door­grond en Gij kent mij,
Gij weet van mijn zitten mijn opstaan,
Gij ver­staat mijn gedachten van verre:
Mijn op weg zijn keurt Ge, mijn rusten,
Al mijn wegen zijn U ver­trouwd...

Een overgave aan God is deze Psalm. Wanneer we dit volmon­dig kunnen zeggen dan kunnen we ook Psalm 23 bid­den. Daarop gaf de vrouw van de erns­tig zieke zoon spon­taan ant­woord met de woor­den:

De Heer is mijn her­der
Mij zal niets ont­bre­ken...

Zo begint die Psalm. Ik was ontroerd door haar ant­woord en vroeg hen deze en andere Psalmen thuis eens te lezen, omdat die teksten je tot troost en steun kunnen zijn.

We namen afscheid. “Ik had nog wel lan­ger met u willen praten”, zei de vrouw van de zieke zoon. Toen wees ik naar de banken in de kerk en zei: “Wat let ons?”, maar het was goed zo. Na zo’n gesprek dank ik God.

Wanneer wij, als Apos­to­laat van Troost, het lij­den van onze naasten kunnen verlichten door het lij­den bespreek­baar te maken in het licht van Christus, zien wij dat als een genade. Het bespreek­baar maken van zorgen of verdriet kan tij­dens een gesprek een andere ‘lading’ krijgen, omdat het lij­den van een persoon geplaatst kan wor­den in de context van andermans gedachte. Zodoende is het moge­lijk om liefde­vol een isole­ment te door­bre­ken.



Apostolaat van Troost • info@apostolaatvantroost.nl