Waar was God?
Hoe vang je twee vrouwen op die naar je toekomen met de vraag: “Wat moeten we doen als het kwaad goede mensen treft?” Deze vraag herkende ik. Niet dat deze mij eerder gesteld is, maar omdat het een titel van een boek is dat in mijn boekenkast staat: “Als ’t kwaad goede mensen treft”, geschreven door Harold S. Kushner, een rabbijn in de V.S.
Aangezien ik dit boek zo’n 20 jaar geleden gelezen had, wist ik niet meer precies waar het over ging. Alleen de titel herinnerde ik me. De ene vrouw had een zoon verloren, de andere vrouw had een zoon die zeer ernstig ziek was. De vrouw die haar zoon verloren had stelde een tweede vraag: “Waar was God toen mijn zoon stierf?”.
Nu stond ik voor een moeilijk moment, omdat elk woord dat ik zou zeggen zwaar woog. Een antwoord voor mezelf wist ik wel, maar hoe kun je dat met de juiste woorden zeggen. Nadat ik goed geluisterd had, heb ik geprobeerd hun verdriet tot me door te laten dringen. Je kind verliezen, is voor een moeder bijna niet te dragen, denk ik. De Piëta van Michelangelo kwam me voor de geest: een voorstelling van een moederlijk verdriet. Vanuit dat begrip probeerde ik antwoord te geven op de vragen die mij gesteld waren. “Ik denk”, begon ik, “dat we God niet de schuld kunnen geven wanneer iemand sterft. Als mens zitten wij in een biologisch proces van geboren worden en sterven”. “Geboren worden impliceert sterven. Helaas heb ik geen antwoord op het ‘waarom’ bij het sterven van een kind”.
“We zijn er nooit klaar voor om afscheid te moeten nemen van iemand waarvan we zielsveel houden. Daarin zit ons verdriet verweven. Gevoelsmatig vinden we dat sterven niet bij het leven hoort, daar zijn we angstig voor en we stoppen dat weg in het hokje van de taboes”.
Ik vroeg hen te blijven bidden, omdat we ons in het gebed kunnen uiten. Ons verdriet bij God neerleggen met vragen die gevormd zijn door onze gevoelens van radeloosheid, onwetendheid, boosheid en kleinheid. Juist in gesprek blijven met God de Vader geeft ons op den duur rust en troost.
“In dat vertrouwen moeten we denk ik leven. Dat neemt uw verdriet niet weg”, zei ik. “Maar het geeft u kracht en wijsheid om verder te gaan. Wanneer we openstaan voor Christus, voelen we Zijn aanwezigheid als een arm om onze schouder”. Toen haalde ik in het kort het verhaal van Job aan. Zijn vertrouwen in Gods rechtvaardigheid was groot, daarin zat zijn hoop op de toekomst.
Hoop doet leven
Ons leven is doordrenkt van hoop. We hopen op een goede gezondheid; vertrouwen; liefde; aandacht; vrede; geluk, om maar een paar voorbeelden te noemen. Onze dagelijkse bekommernissen worden door hoop gedragen. Maar wanneer bijna alle hoop uit ons leven wegebt, zodat we geen uitkomst meer zien, blijft er nog één hoop over: de hoop op Gods erbarmen. Zo was het ook al in het O.T. Wij roepen God aan in onze nood, zoals de Psalmen laten zien.
Hoop biedt perspectief, al weten we nog niet waar die op eindigt. Wanneer we al onze hoop koppelen aan ons geloof in de liefde van Christus, dan is er uitkomst. Paus Franciscus schrijft: ... Vanuit verdriet komt blijdschap. Onze oneindige droefheid geneest, maar door een oneindige liefde van Christus ... Wanneer we dat geloven, mogen we leven. Daarover zegt Jezus tegen Marta: “Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook wanneer hij sterft, en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven”. Om deze boodschap door te mogen geven als een troostend woord, zie ik als een genade.
“Kent u Psalm 139?” (vers 1 t/m 12 en aansluitend vers 23,24), vroeg ik aan die vrouwen, waarvan ik een paar regels kon opzeggen:
Heer, Gij doorgrond en Gij kent mij,
Gij weet van mijn zitten mijn opstaan,
Gij verstaat mijn gedachten van verre:
Mijn op weg zijn keurt Ge, mijn rusten,
Al mijn wegen zijn U vertrouwd...
Een overgave aan God is deze Psalm. Wanneer we dit volmondig kunnen zeggen dan kunnen we ook Psalm 23 bidden. Daarop gaf de vrouw van de ernstig zieke zoon spontaan antwoord met de woorden:
De Heer is mijn herder
Mij zal niets ontbreken...
Zo begint die Psalm. Ik was ontroerd door haar antwoord en vroeg hen deze en andere Psalmen thuis eens te lezen, omdat die teksten je tot troost en steun kunnen zijn.
We namen afscheid. “Ik had nog wel langer met u willen praten”, zei de vrouw van de zieke zoon. Toen wees ik naar de banken in de kerk en zei: “Wat let ons?”, maar het was goed zo. Na zo’n gesprek dank ik God.
Wanneer wij, als Apostolaat van Troost, het lijden van onze naasten kunnen verlichten door het lijden bespreekbaar te maken in het licht van Christus, zien wij dat als een genade. Het bespreekbaar maken van zorgen of verdriet kan tijdens een gesprek een andere ‘lading’ krijgen, omdat het lijden van een persoon geplaatst kan worden in de context van andermans gedachte. Zodoende is het mogelijk om liefdevol een isolement te doorbreken.




