Schoonheid en vergankelijkheid
Nog niet zo lang geleden liep ik te wandelen rondom de IJzeren Man in Vught. Een mooie waterplas in een bosrijke omgeving die je in een uur rondloopt. Tijdens deze wandeltocht overviel mij een stille verwondering over de schoonheid van de natuur.
In die stilte, waarin ik alleen de vogels hoorde en mijn eigen voetstappen, kwam ik al snel tot mijn eigen basis: mijn ‘zijn’. Daar vond ik emoties van verwondering, maar ook van verdriet, omdat ik die schoonheid wilde vasthouden en niet meer wilde loslaten. In plaats van blijdschap en dankbaarheid kwam er een gevoel van triestheid over me.
Door mijn gedachte over vergankelijkheid werd positieve ontroering omgezet in een neerslachtig gevoel. Hierin constateerde ik dat mijn ‘loslaten’ voor een overgave aan onze Schepper nog ver van mij afstaat. Gods aanwezigheid werd even naar de achtergrond geschoven door mijn ontroering, waarin mijn vergankelijkheid bewust werd.
Wanneer we Gods aanwezigheid niet meer voelen of ‘zien’ , komt het gevoel van eenzaamheid bovendrijven met vragen die ons bezighouden en vaak beginnen met: “Waarom?”. Het is goed om bewust te zijn van onze vergankelijkheid, maar dat mag niet ons leven negatief beïnvloeden door triestheid.
Drie weken na mijn wandeling werd ik aangesproken door een man tijdens mijn werkzaamheden in de kathedraal. Hij vroeg me of er onder de grafzerken nog mensen lagen. Hij vond het moeilijk daaroverheen te lopen wanneer dat het geval was. Ik kon hem geruststellen met de mededeling dat de graven indertijd geruimd zijn en de overblijfselen in een massagraf buiten de kerk begraven zijn. Een confrontatie met de dood, waar de man zo op gericht was. Dat bleek later in ons gesprek.
Hij begon te praten over de dood, waar hij angstig voor was. Zelfs zo erg dat hij er ’s nachts wakker van werd. “De dood komt zo dichtbij wanneer je ouder wordt”, zei hij. “Uiteindelijk ben ik al 72 jaar”. Terwijl hij verder sprak, ontroerde het hem. “Bij het ouder worden, word ik snel emotioneel”, verontschuldigde hij zich. Ik maakte hem duidelijk dat ik dat zelf ook wel ervaar om hem daarmee gerust te stellen.
“Gelukkig houden we ons op jonge leeftijd niet bezig met de dood. Een uitzondering daargelaten. Toch hoort sterven bij het leven”, vervolgde ik. “Onze lichamelijke vergankelijkheid ligt in ons biologisch proces dat wij moeten ondergaan. Een proces waar we geen vat op hebben dat iedereen anders ervaart. Uiteraard kunnen we dat tegenwoordig - medisch gezien - enigszins beïnvloeden. Maar dat wil niet zeggen dat het met ons afgelopen is. Jezus gaf een verlossend antwoord om van die doodsangst verlost te worden”. Hij zei tegen Marta: “Ik ben de opstanding en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal nooit sterven”. (Joh.11,25-26).
Laten wij proberen onze lichamelijke vergankelijkheid te accepteren in het leven dat ons gegeven is. Makkelijker gezegd dan gedaan, hoor ik u al zeggen. Daarin moet ik u gelijk geven, maar ik zeg dit vanuit mijn geloof waar “hoop” aanwezig is. Als mens kunnen wij het mysterie van Gods aanwezigheid niet begrijpen, maar wel geloven en hopen. Dat geeft uitzicht! En laten wij niet vergeten dat wij nu al verenigd zijn met Hem, door Zijn genade, wanneer we Jezus Christus voor ogen houden. Daarin zit ons eeuwig leven verankert en hoeven we ook niet bang te zijn voor de drempel van de dood. Probeer die angst van u af te zetten door in gebed te blijven en tel uw zegeningen in dankbaarheid”, vroeg ik de man.
Tijdens die wandeling liet ik me ook leiden naar een goddeloze onzekerheid van mijn menselijk bestaan, al was dat maar even. Op dat moment dacht ik niet aan Gods aanwezigheid, ook niet in de schoonheid van de natuur en vergat de woorden die Christus o.a. heeft gezegd: “Wie gelooft heeft eeuwig leven” (Joh.6,47). Laat dat onze troost zijn.
+ broeder Diederik




